14 sep Cursus Overleven op Zee
Hoeveel moeders hebben in de loop der tijd hun kinderen niet schreiend op de pier staan na te wuiven? Jarenlang hun best gedaan om hun bloedjes groot te brengen, zich dingen ontzegd, carrières uitgesteld of afgebroken, doorwaakte nachten en verdorie, ze zijn nog niet volwassen of hup, daar gaan ze, het zeegat uit! Goed, als je kindje werk kan krijgen bij de marine en een mooi pakje mag dragen, alla. Of als het persé visser wil worden en quota wil ontduiken, vooruit dan maar. Maar als je kotertje alleen maar voor de lol de zee op gaat, dan sta je als moeder toch raar te kijken. Genosea voelde deze onmacht, deze onrust bij de moeders goed aan. Nee, geen praatgroep, geen geruststellend boekwerkje over de doelstellingen en achtergronden van de vereniging, Genosea organiseerde gewoon heel praktisch voor haar leden een cursus “overleven op zee”. Die op moederdag gegeven werd natuurlijk.
Na een half uurtje stevig doorrijden over de Maasvlakte bereikte ik het wegrestaurant dat als ontmoetingspunt diende. Eenmaal binnen keek ik verbaasd om mij heen. Het ledenbestand van Genosea leek behoorlijk te zijn opgeschoond. Overal zag ik breedgeschouderde jonge mannen die zich met krachtige tred en bulderende lach door de zaal bewogen. In mijn herinnering was het postuur en het voorkomen van het gemiddelde Genosea-lid toch wat bescheidener. Wat was er gebeurd? Had de commissie Activiteiten een fitness-workout onderdeel van het Genosea-programma gemaakt? Waren groeihormonen en spierversterkende middelen aan de EHBO-trommel aan boord toegevoegd? Werd daarom elk jaar die “patat-tocht” naar België gemaakt? ‘Even Vlaamse frieten en een bolleke scoren’, ja, ja, Glenbuterol zul je bedoelen! Na enig zoeken ontwaarde ik echter achter de spierbundels een klein groepje dat wat verloren tussen de plantenbakken zat. Niet dat het nou bleekneusjes of scharminkels waren, maar deze mensen staken toch wel wat iel en nietig af tegen de rest van de aanwezigen. Ik zag wat bekende gezichten, het kon niet missen, hier zaten de Genosea-leden! Het bleek dat niet alleen wij deze training zouden volgen, maar dat ook de duikverenigingen “Aquafit” en de “Nemo-boys” zich hiervoor ingetekend hadden. Na een uitgebreide brunch waarbij we nog net kans zagen een schaal broodjes voor de malende kaken van de “Nemo-boys” weg te graaien werd het tijd om aan de slag te gaan. Een instructievideo en een opgewekt praatje van de hoofdinstructeur maakte ons duidelijk dat onze overlevingskansen in zee bij overboord vallen ongeveer nul waren. “Ik had je toch gezegd dat ik vandaag liever naar mijn moeder had gewild!”, hoorde ik iemand al kwaad tegen haar vriendje zeggen. Vriendje keek wat onderkoeld, maar dat kon ook door die video komen, natuurlijk. Na nog een laatste opmerking van de instructeur dat er tot vandaag nog nooit een dodelijk slachtoffer bij de oefeningen was gevallen vertrokken we naar het zwembad.
Het bassin lag in een grote, spaarzaam verlichte hal die elk geluid dat gemaakt werd effectief wist te versterken. Na ons in wetsuits te hebben gestoken, werden we in groepjes verdeeld die elk een instructeur kregen toegewezen. In de uren die volgden werden we getraind in diverse onderdelen, zoals het in en uit een reddingsvlot klimmen en het omkeren van reddingsvlotten en rubberboten. Het waren de onderdelen waar ons Genosea-clubje nog redelijk kon meekomen met de andere cursisten.
Het gebrek aan spiermassa’s begon zich echter te wreken bij het klimnet. Terwijl de jongens van “Aquafit” zich in recordtijd naar boven wisten te werken, zag ik diverse Genoseanen als dooie vissen in het net hangen, af en toe een slappe poging ondernemend om een weer een stukje hoger te komen. Nieske verloor zelfs haar evenwicht en bleef ondersteboven met één voet in het net gehaakt hangen. Nadat onze instructeur geïrriteerd het net heen en weer had geschud, raakte de voet los en verdween Nieske met een doffe kreet onder water. Bij het klimtouw was het weinig beter. De “Nemo-boys” lieten zich soepel aan het touw naar beneden en zakken en klommen vervolgens zonder enige zichtbare inspanning weer omhoog. Bij ons ging het iets anders. Het touw beet pakken en naar beneden glijden ging bovengemiddeld – wat kan water toch heerlijk afkoelen als je verbrande handen hebt! – het vervolgens weer naar boven klimmen was onbegonnen werk. Hoe de instructeur ook schreeuwde en dreigde, we bleven apathisch onderaan het touw hangen, niet in staat om ook maar een halve meter omhoog te klimmen. De “Nemo-boys” stonden grijnzend aan de rand van het bassin op ons neer te kijken. Hoofdschuddend ging de instructeur ons voor naar het laatste onderdeel. We werden naar een casco van een helikopter geleid dat net boven het wateroppervlak hing. Binnen werden we vastgegespt op kleine stoeltjes en kregen een helm op ons hoofd zoals wildwater-kajakkers die ook wel dragen. Vervolgens werd de heli hoog boven het water uitgetild. “Verdammt mooie kist!”, hoorde ik Victor naast mij ZKH Prins Bernhard imiteren, maar voordat ik met “Kijk mal, een neushorn!” kon antwoorden stortten we in één keer naar beneden. Met een enorme klap raakte de heli het wateroppervlak. Het duurde even voor we weer bij onze positieven waren. Ik duwde de helm die over mijn ogen was geschoten omhoog en zag tot mijn verbijstering hoe het water aan alle kanten naar binnen spoot. “Koninklijke Hoogheid, we maken water!”, wist ik nog net uit te brengen voordat we helemáál onder water verdwenen. Hoewel de helikopter misschien niet geheel en al in optimale staat was, viel op de veiligheidsgordels niets aan te merken. Die waren van een degelijke kwaliteit. Hoe hard ik er ook aan rukte, van enig meegeven was geen sprake. Uiteindelijk wist ik – na minuten, uren? – de gesp te vinden en slaagde ik erin mij door het raampje naar buiten te wurmen. Weer aan de oppervlakte telde ik de koppen, gelukkig was iedereen erin geslaagd om uit de heli te komen. Een paar van ons waren al druk bezig onze instructeur op de inferieure kwaliteit van de gebruikte apparaten te wijzen. Deze zei niets, maar wees als reactie slechts op de heli die inmiddels weer net boven het wateroppervlak hing. Ongelovig keken we elkaar aan. We moesten er nog een keer in! Weer werden we tot aan het dak omhoog getakeld. De jongens van “Aquafit” keken vanaf de kant belangstellend toe en staken spottend hun duim omhoog. Opnieuw suisden we naar beneden, maar deze keer maakte het ellendige ding eenmaal onder water ook nog een draai van 180 graden. Proestend en naar lucht happend wist ik mij te bevrijden, diverse bellenbanen gaven de ontsnappingsroutes van de anderen aan. Opnieuw telden we of we compleet waren. Even dachten we dat Victor ontbrak, maar deze dook naast mij op en meldde zich met een “Oranje boven!” present.
In de pauze konden we even bijkomen. Moe en aangeslagen liepen we naar de hoek waar hete koffie te verkrijgen viel. De “Aquafits” en “Nemo-boys” waren al druk bezig de beschikbare ‘Marsen’ en ‘Nutsen’ soldaat te maken. We wisten er nog net twee buit te maken die we broederlijk onder elkaar verdeelden. Ik wilde net mijn eerste slok koffie nemen toen ik een daverende klap op mijn schouder kreeg. “Alles kits?!” brulde de instructeur opgewekt in mijn oor. “What’s next?”, zuchtte Marco vermoeid. Lang werden we niet in onzekerheid gelaten: we zouden hetzelfde traject nog eens moeten afleggen maar nu bij 8 Bft. De instructeur wees op een indrukwekkend aantal windgeneratoren. Daarnaast zou om de oefening wat realistischer te maken ook alle verlichting, op wat felle stroboscooplichten na, worden uitgedaan. Hij had het nog niet gezegd of er klonk een zacht zoemen, dat al snel over ging in een angstaanjagend gegier en gedreun. ‘Kom maar’, gebaarde onze ongeduldige trainer. Ik deed een tweede poging om mijn koffie op te drinken, maar deze bleek door de ontstane wind al uit het bekertje geblazen te zijn. Gelaten liepen we onze instructeur weer achterna. Gek genoeg ging het onder deze omstandigheden opeens een stuk beter. Hoewel de wind en het water ons in het gezicht striemden wisten we zonder al te veel problemen het klimnet te nemen. Ook de 4 meter-sprong in het nu donkere water, het touw en de touwladder gingen ons goed af. Door de kolkende golven zwommen we naar het grote reddingsvlot en klauterden naar binnen. “Hè, hè, dit is beter”, zei Marja. “Bijna alsof je echt op zee bent.” Ontspannen leunden we tegen de rubberwand van het vlot. “Kijk daar gaan de “Nemo-boys””, zei Victor en wees door de opening naar buiten. We zagen hoe ze moeizaam op een rubberboot klauterden. Als een stel zieke katjes bleven ze vervolgens lusteloos op de Zodiac zitten. Wat was er toch met ze aan de hand? “Oh, oh…”, zeiden we toen we de eerste Nemo naar het water voorover zagen buigen. Nu heb je zeeziek en zeeziek, maar om nou zelfs in het water liggend je daaraan nog te bezondigen, ik vind dat toch wat overdreven. De jongens van “Aquafit” dachten daar echter geheel anders over. Het was een smerig gezicht: de Nemoboys vanaf de Zodiac en de “Aquafits” in het water die om het hardst aan het overgeven waren. “Ze maken ook overal een wedstrijdje van”, zuchtte Victor, “hebben we nog koffie?” Gelukkig had een van ons een handig brandertje meegenomen en wist hiermee in een mum van tijd heerlijke koffie te maken. Het vlot bewoog rustig mee met de golven. Buiten ging het er nog steeds wild aan toe. Normaal is pas vanaf 12 Bft de lucht gevuld met schuim, maar dankzij het enthousiasme van de beide duikclubs die maar door gingen in deze voor hen klaarblijkelijk nieuwe discipline zag het er nu bij 8 Bft ook al levensecht uit. Grote vlokken volgen door de lucht. “Heeft er ook iemand koffieroom of desnoods ‘Completa’?”, vroeg Marja. We praatten wat over eerder gemaakte zeiltochten en over onze vakantieplannen. “Die kan het ook goed!” Relaxed liggend in het grote reddingsvlot wezen we elkaar de inmiddels wat mindere “Aquafitjes” aan. “Zit er al een 6 in de klok?”, wilde Nieske weten. Marco toverde wat blikjes bier te voorschijn. “Er zit altijd een 6 in de klok!” Opeens verscheen het gezicht van onze instructeur bij de opening van het vlot. We besloten hem maar naar binnen te hijsen. Verbijsterd keek hij om zich heen. “Wat zijn jullie eigenlijk aan het doen?”
“Overleven op zee”, zei ik en reikte hem een blikje aan. “Waar zitten we nu?” vroeg Marco. “Ik heb geen idee, hoor, hadden ze die grote schuifdeuren maar niet dicht moeten doen, zo is het wel erg lastig zonnetje schieten.”, zei Victor. “Wat betekent dat eigenlijk, ‘Genosea’ ?” wilde onze trainer, die er wat bleek uitzag, weten. Dat hadden we hem nou beter niet kunnen vertellen. In no-time was hij bij de opening en begon daar hartstochtelijk de “Nemo-boys” te imiteren. We schoven hem maar wat verder over de rand en besloten het zeil over de opening te laten zakken. Er zijn tradities waar je geen afbreuk aan mag doen, ‘Happy hour’, bijvoorbeeld. Na een uur klonk er opeens een sirene en gingen de lichten aan. De generatoren werden uitgezet en het water kwam langzaam weer tot rust. Het werd stil in de grote hal. We peddelden naar de kant en leverden onze trainer bij de andere instructeurs weer in. Deze hadden maar weinig oog voor hem, druk als ze waren om het zwembad te ontdoen van de als wrakhout verspreide “Nemo-boys” en “Aquafits”. We kleedden ons om en liepen naar buiten, het volle zonlicht in. Bleek en knipperend stonden daar de leden van beide duikverenigingen van de doorstane ontberingen bij te komen. “Of jullie nog even het zwembad willen schoonmaken?!”, zei Marco achteloos toen we de verfomfaaide groepjes passeerden.
Het was goed toeven op het terras van de Stormvogel. Ik luisterde met een half oor naar de evaluatie van de hoofdinstructeur en keek naar de blauwe lucht boven ons. Het leek wel zomer. Zou het in Friesland ook zo’n mooi weer zijn? Zo meteen even mijn moeder bellen.
Arend van Hout
Geen reactie's