14 sep Zeilend naar de East Coast Rivers
“Hijsen maar!” roept Victor, als we de havenhoofden van Hoek van Holland passeren. Els en Tsjitske zetten de zeilen bij, het lawaai van de motor sterft weg en voor ons ligt in het avondlicht, de zee.
Na de Nieuwe Waterweg met het drukke scheepsverkeer doet deze rust weldadig aan. Er staat niet veel wind en langzaam verdwijnt achter ons de Nederlandse kust uit zicht. Beneden in de kombuis rommelt Erwin met wat pannen. Ons schip, de Kalebas, beweegt zich kalmpjes door de golven en geeft ons alle tijd om in te schommelen.
Het wordt een rustige avond. Pas in de nacht neemt de wind toe tot 5 en maken we een behoorlijke voortgang. Als ik om 0600 uur wakker word, hoor ik dat er inmiddels contact is gelegd met de Bergina, die vanuit Den Oever is vertrokken. Zij ligt een paar uur voor ons en als het goed is, zullen we elkaar ontmoeten in de Woolverstone Marina aan de rivier de Orwell. Ik klim aan dek met een paar mokken thee. Het is nog fris, maar achter ons komt de zon omhoog. We varen met ruime wind, de boot schiet door de golven en weet soms de 9 knopen te halen.
’s Middags moet het laatste stuk naar Harwich hoog aan de wind gevaren worden. De wind is inmiddels aangewakkerd tot 6. We draaien de fok weg en zetten de motor bij. De Kalebas vaart nu aanmerkelijk minder soepel en stampt door de golven. ook binnen is dat goed te merken. De mensen die last van zeeziekte hebben geven elkaar voortdurend pannetjes door en een lekkende leiding zorgt voor een laagje dieselolie op de kajuitvloer, waardoor de kaartentafel slechts schaatsend bereikt kan worden. Nadat ik de hele kajuit ben rond geweest (rondje 38.2), kom ik uiteindelijk bij de navigatiehoek uit. Ik prent de gegevens goed in mijn hoofd, zet mij af tegen de kaartentafel en glij weer naar de trap. Dit lukt zowaar in één keer. Tevreden klim ik omhoog en val vervolgens met trap en al achterover de kajuit weer in. Ik vind mijzelf minuten, uren (?) later terug in de kombuis, achter een paar pannen, stinkend naar dieselolie. Buiten is Erwin druk bezig de waterdichtheid van zijn nieuwe zeilpak uit te testen. Dapper laat hij de ene golf na de andere over zich heenkomen. “En, ben je nog droog?”, vraag ik. “Ja, hoor helemaal!”, bibbert Erwin, “alleen mijn camera niet.” en hij vist een druipend fototoestel uit zijn binnenzak.
Rond 1700 uur lopen we Harwich aan en varen de Orwell op. In de jachthaven treffen we de bemanning van de Bergina. Na een hete douche zijn we helemaal klaar voor een nieuwe uitdaging, “the Butt & Oyster” geheten.
Na een kwartiertje stevig hollen over een smal paadje dat door bossen en weilanden voert, bereiken wij de beroemde Inn. We bestellen op de naam “Bom” 5 heerlijke schotels en drinken in afwachting daarvan een pint van een lokaal bier. Het smaakt nergens naar, maar de plaatselijke bevolking stoort zich daar absoluut niet aan en gooit in snel tempo grote hoeveelheden naar binnen. Als we een plaatsje zoeken om te zitten, blijken alle tafels en stoelen te zijn bezet. “Er is nergens plek”, zegt Els, “straks moeten we nog staande eten!”
Victor knikt geruststellend en zegt dat we ons geen zorgen moeten maken. En ja hoor, even later verschijnt de serveerster met onze bestelling. “Bomb!” roept ze, “Bomb!” In no time is de Butt & Oyster ontruimd, angstig staan de gasten op veilige afstand van de pub toe te kijken, sommigen hebben zelfs hun volle pints achtergelaten. “Het werkt altijd”, zegt Victor, “waar willen jullie zitten?” Wij kiezen een tafel bij het raam waar normaal de stamgasten zitten en genieten van het uitzicht.
Vele uren later verlaten we de pub en zoeken onze weg terug naar de jachthaven. “Weet je zeker dat dit hetzelfde pad is?”, vraagt Els aan Victor. “Tuurlijk en als het niet hetzelfde pad is, dan is het vast een ander”, zegt deze in een beschouwende bui. Tsjitske staat midden in een korenveld wild te gebaren en schreeuwt ons iets onduidelijks toe. “Heeft ze last van maanziekte?”, vraag ik en wijs op de bijna volle maan boven de heuvel. “Nee, ze komt uit Friesland”, zegt Els. Achter ons komt Erwin aangedraafd. “Ik geloof dat ik het pad gevonden heb, je moet even door een droge sloot heen, maar dan ben je er zo!” We kijken naar Erwin’s voeten waar zich een plas water vormt. Op zijn gezicht zit eendenkroos. “Die sloot, is die net zo droog als dat zeilpak van jou?”, vraagt Els. “Je hebt gedronken, Erwin, bahl”, zeg ik afkeurend. Erwin zegt niets meer en loopt soppend achter ons aan. Bij de volgende heuvel komen we Tsjitske weer tegen. “I’m thirsty, will you buy me a beer?” klinkt het hoopvol. “Wij zijn het maar”, zegt Victor. “Jij ook al, bah!”, zeg ik tegen een verbouwereerde Tsjitske. Moeizaam banen we ons een weg, heuvel op, heuvel af, takken zwiepen ons in het gezicht. Eindelijk zien we de jachthaven liggen. “Wie het eerste bij de koelbox is!”, roept Els en daar rennen we al naar onze goeie ouwe Kalebas. Donderend klinken onze voetstappen over de steiger. Erwin ziet weer een kortere weg en verdwijnt proestend onder water, Victor vergist zich in het schip en stuift bij een oud Duits echtpaar de kajuit in (“Klaus, was machtst du doch?I”), Tsjitske weet na een ferme duw de bocht niet meer te halen en gaat Erwin achterna en Els heeft buitengewoon puntige ellebogen, zodat ik gierend tegen een steigerpaal sta bij te komen. Eenmaal aan boord van de Kalebas, zie ik Els triomfantelijk met een sixpack het trapje opkomen. Ik weet het nog net aan te pakken voordat ze met trap en al weer achterover de kajuit in valt. Dat ellendige trapje ook! Tevreden zit ik op het achterdek en trek een blikje open. Wat kan dat zeezeilen toch vermoeiend zijn!
Het is nog maar een paar uur later als we worden gepraaid door de Bergina. “Hallo, hallo, Kalebasl Wij gaan hoor!”, klinkt het veel te enthousiast. Ik steek mijn hoofd door het luik en zie knipperend in het felle zonlicht, de frisgewassen gezichten op de Bergina. “Hoe hard loopt die boot van jullie eigenlijk?”, klinkt het uitdagend. Ik laat me weer zakken en probeer Victor wakker te krijgen. “Lamelosonelagerplease”, klinkt het onsamenhangend. Ik pak de koffiebus, strooi koffie in Victor’s neusgaten en imiteer een fluitketel. Victor schiet overeind, grijpt me vast en kijkt me hologig aan. “Koffie, waar?I”, klinkt het beverig. “Op het achterdek”, gebaar ik en weg is Victor al. Els heeft het gesprek met de Bergina ook gevolgd. Ze plugt een cassette met zeemansliederen in de recorder en draait de volumeknop op 10.
Binnen 20 seconden zijn we los en na nog es 30 seconden stuiven we onder vol tuig de Orwell af. Even later schieten we de Butt & Oyster voorbij. “Is dat niet die beroemde pub?”, probeert Erwin nog. Victor grijpt slechts naar zijn hoofd. Ook Tsjitske zwijgt. Ze heeft een donkere zonnebril op die ze de hele dag op zal houden. Gedienstig wijs ik haar de route aan die ze de afgelopen nacht heeft afgelegd, hetgeen me niet in dank wordt afgenomen. Het is een stralende dag. De zon schijnt op het groene water van de rivier, achter ons het schuimende zog en voor ons de Bergina die binnen enkele minuten voorbijgelopen zal worden, wat wil een mens nog meer?
De monding van de ‘Deben’ ligt vol verraderlijke zandbanken. De Bergina die slechts 1.40 diep steekt zal als eerste naar binnen gaan. Haar bemanning zal over de marifoon doorgeven welke diepten wij kunnen verwachten. Ons schip heeft een diepgang van 2 meter, waarmee de commissie schepen het varen op getijderivieren voor ons extra spannend heeft gemaakt. Tsjitske, die wedstrijden met skûtsjes heeft gezeild, zit aan de lage kant te loden en roept voortdurend haar bevindingen door. “Fjour, twaenunheal, twa!”, roept ze. Niet dat we er iets van begrijpen, maar aan haar gezicht zien we dat het belangrijk is, dus knikken we haar maar geruststellend toe. Zonder problemen weten we de zandbanken te passeren. Verderop de rivier proberen wij nog verschillende malen met de Bergina in contact te komen. Helaas worden onze oproepen niet beantwoord.
“Waarschijnlijk zitten die allang in een pub te plempen”, zegt Victor, als we voor de derde keer vastraken. Eenmaal in de haven zien we de Bergina. De bemanning is notabene nog aan boord, zit aan de warme maaltijd en wuift ons vanachter de grote ramen toe. “Moet je ze zien”, schampert Erwin, “stelletje kamerplanten Met zo’n schip heb je geeneens een zeilpak nodigl”, voegt hij er wat afgunstig aan toe.
De volgende dag brengen we door in Woodbridge. We lunchen in een pub, lopen wat boekenzaken af en slenteren door de winkelstraat.
Op het terras van een tearoom voor oude dametjes bestellen we een echte high tea. Even later wordt onze tafel overladen met scoones, taarten, koekjes en bergen slagroom. Dapper vallen we aan. Net als we halverwege zijn tikt de serveerster beleefd op onze schouder en wijst naar het tafeltje naast ons dat bijna dreigt te bezwijken onder de hoeveelheid lekkernijen die daarop staan gestapeld. “It’s also for you”, zegt ze. ‘Ik kan niet meer”, fluistert Victor. Hoe die engelse dametjes er zo slank uit weten te zien is ons een raadsel.
’s Avonds drinken we een borrel aan boord van de Bergina. “Hebben jullie nog vastgezeten op de rivier?”, vraagt iemand van hen fijntjes.
“Wat doen we?”, vraagt Victor later, als we weer onder elkaar zijn. “Wraak”, zeg ik. “Wraak”, zegt Tsjitske. “Hoe?”, vraagt Erwin.
Els, die in een ziekenhuis werkt, haalt uit haar gereedschapssetje een grote rol geel plakband. “Hecht dat?”, vraagt Victor sceptisch. Els plakt een stukje op Victor’s voorhoofd. Het hecht. Hoe hard Erwin en ik ook trekken het stukje tape blijft zitten waar het zit. “We gebruiken het om lastige patiënten mee in te tapen”, zegt Els. “Dronken kerels die vervelend worden, bijvoorbeeld.” Met dit geduchte wapen en een schaar peddelen Erwin en ik behoedzaam op de Bergina af. Het water kabbelt tegen onze rubberboot. Het is stil in de haven, uit sommige boten klinkt zacht gesnurk, vallen slaan zachtjes tegen masten en ergens in het stadje blaft een hond. Zachtjes stoten we tegen de Bergina. We klimmen voorzichtig over de reling en kijken even in de kajuit. Iedereen slaapt, niets beweegt. In de nationaliteitsvlag die de bemanning verzuimd heeft binnen te halen leggen we een stevige knoop. We laten ons weer in de rubberboot zakken en brengen in forse letters de nieuwe naam aan op de glimmend witte zijkant van het schip. Als trofee nemen we nog het “welcome aboard” matje mee. Als we weer terug roeien klinkt op het achterdek van de Kalebas een gedempt hoera en wordt de succesvolle actie op gepaste wijze gevierd. De Kalebas heeft teruggeslagen! ’s Nachts lig ik onrustig te woelen en droom ik dat ik helemaal in geel tape gewikkeld wordt.
De volgende morgen nemen we afscheid van de Bergina. Zij zullen vanaf hier een andere route kiezen. Enigszins verbaasd wordt het deurmatje in ontvangst genomen. Halverwege de rivier stem ik af op kanaal 77 en zet mijn Groningse stem op: “Begonia, Begonia, Begonia, hier de Kalebas, ontvangt u mij over?”
Het blijft even stil, maar als ik mijn oproep herhaal, klinkt wat verbaasd: “Hier de Bergina, wie roept ons?” Na nog een oproep horen wij geheel andere geluiden uit het kastje komen. Luid gevloek, rennende voetstappen, gekerm en horen wij daar niet het klappen van de kat met de negen staarten? Tevreden sluit ik de ogen en stel mij de taferelen op de Begonia voor, waar iedereen met nu met emmertjes sop en borstels in de weer is, om die schandelijke naam van het schip verwijderd te krijgen. Zou het ze lukken? Ik open mijn ogen en zie Victor zitten, het stukje tape nog .steeds stevig op zijn voorhoofd. Tevreden sluit ik mijn ogen weer.
,-
Die dag zeilen we naar de rivier de Colne en gaan ‘s avonds voor anker in de Pyefleet Creek. “Heb jij ook wat gestudeerd?” vraagt Erwin aan Tsjitske, als we na de maaltijd aan de koffie zitten.
“Psychologie”, zegt Tsjitske. Het wordt stil, de anderen schuiven ongemakkelijk wat bij haar vandaan. “Mag ik de melk?”, zegt Victor in een dappere poging de stilte te doorbreken. “Victor vraagt om melk”, zeg ik met een betekenisvolle blik tegen Tsjitske. “Dat betekent zeker dat-ie vroeger geen borstvoeding heeft gehad, hè”, doet Erwin een duit in het zakje. Tsjitske kijkt ons niet begrijpend aan.
De volgende morgen doen we inkopen in Brightlingsea, waar de recessie hard heeft toegeslagen. Het stadje maakt een armoedige indruk. In sommige straten staat meer dan de helft van de huizen te koop. Op de pier zijn kinderen druk bezig krabbetjes te vangen. Op een klapstoeltje zit een aan lager wal geraakte George Michael, of anders zijn tweelingbroer, die een oogje in het zeil houdt. Als we weer richting zee varen, zien we oude Thames-barken die ons met volle zeilen tegemoet komen. Er is volop zon en wind en de Kalebas en haar bemanning heeft er zin in!
Tegen de avond zeilen we de Blackwater op en meren af aan een boei voor de Marconi Sailing Club. Els heeft voor een warme maaltijd gezorgd. “Vinden jullie het lekker?”, vraagt ze. “Ik heb het uit de Breker, een recept van Kapitein Koek.” “Het is beslist apart”, zegt Victor met tranende ogen. “Ja, echt bijzonder”, beaamt Erwin, terwijl hij dapper nog eens een vork vol naar zijn mond brengt. Tsjitske zegt niets, maar is akelig wit weggetrokken. Ikzelf zit lusteloos in mijn bord te prakken. “Ik had nog een toetje, ook uit de Breker, zal ik het even pakken?”, vraagt Els. Victor en Erwin haasten zich naar buiten, op zoek naar frisse lucht. Tsjitske verdwijnt naar haar kooi en zal daar voorlopig niet meer uit te voorschijn komen. “Ik ga even mijn vislijn controleren”, zeg ik laf en stommel de trap op.
Op het dek staan Erwin en Victor mistroostig naar de kant te staren. Het stroomt anderhalve knoop, zodat roeien onmogelijk is en ons schip steekt te diep om dichterbij de oever te komen. Vanuit een aan de rivier gelegen restaurant klinkt dansmuziek, af en toe bereikt ons de lucht van geroosterd wild. Achter ons schip verschijnen olie-achtige vlekken die wild bruisend overgaan in grote vlokken schuim. Als ik in de kajuit kijk, zie ik dat Els gedecideerd bezig is de restanten van de zo vrolijk begonnen maaltijd door het toilet te spoelen. “Vis ,” roept Erwin, “vis!” En inderdaad, aan de oppervlakte verschijnen vissen die als razenden rondjes zwemmen, hoog boven het wateroppervlak springen, alvorens moegestreden naar beneden te zakken.
Langzaam komt de maan omhoog, een zilveren baan wordt over het water getrokken. Els voegt zich bij ons en zelfs Tsjitske waagt zich weer aan dek. “Zal ik jullie een Bulgaars liefdjesliedje leren?”, vraagt Erwin.
“Erwin, mien jong, leer jij ons maar eens een Bulgaars liefdesliedje”, zeg ik. Na enig oefenen zijn wij in staat het lied vierstemmig ten gehore te brengen. “Ik en mijn liefje, we waren zo tevree, de maan scheen in de wijngaard, waarom ging ik naar zee?” luidt het vrij vertaald.
“Om het echt mooi te laten klinken moet je er eigenlijk twee kilo rauwe bloedworst voor gegeten hebben”, zegt Erwin, “maar met dit recept gaat het ook prima.” Tsjitske knikt instemmend.
Onze laatste avond in Engeland brengen we door in Burnham on Crouch. We bezoeken een paar pubs, waar de plaatselijke jeugd opgedoft en wel de vrijdagavond viert. Op terugweg naar de jachthaven slaan we onze laatste ponden stuk bij een hamburgerkraampje. De verkoper biedt ons cola aan en heeft maar liefst 4 soorten hamburgers, die we allemaal uitproberen.
De volgende morgen gooien we om 11.00 uur los. Vanaf hier varen we rechtstreeks naar Nederland. We kruisen tussen de aan meerboeien liggende jachtjes door en eenmaal op zee neemt het leven aan boord weer haar gewone gang. De wachten zijn weer ingedeeld, in de kooien zijn de slingerplanken aangebracht en om ons heen is niets dan water.
’s Nachts passeren we de ‘shipping lane’ en tegen de ochtend wordt het tijd voor mijn wacht. Als ik aan dek kom, zit Erwin door de verrekijker te turen.
“Ik zie een visserschip”, zegt hij, “en hij komt recht op ons af.” “Is het niet wat hoog voor een vissersschip?”, vraag ik. “Nee hoor, hij sleept wat achter zich aan, het is zo’n hóóg vissersschip.” Erwin schroeft de kijker zo mogelijk nog vaster op zijn hoofd en geeft mij de komende minuten voortdurend informatie.
“Het is een visser.
Nee, het is geen visser.
Misschien is het een marineschip?
Nee, hij sleept wat achter zich aan.
Vissen ze bij de marine?
Nee, het is een mijnenveger, natuurlijk, Nu weet ik het zeker. Het staat er ook op. ‘Mijnenve … Nee toch niet …
Het is een visser.”
Tegen de tijd dat ik met het blote oog het woord “Kustwacht” levensgroot voor mij zie en de zalingen van ons scheepje bijna de romp van het schip raken is Erwin bij ” Nee, hoor, het is tóch de marine, het beeld wordt zo wazig, ze gebruiken zeker rookbommen.”
Over de reling hangen een paar zeebonken die met gemeengrijnzende tronies naar beneden kijken. “Hebben jullie geen lulapparaat aan boord, zeuntjes?”, roept er een. “Een marifoon bedoelt u meneer?”, vraagt Erwin beleefd.
Ik haast mij naar beneden en draai de volumeknop van de marifoon wijd open. Het blijft even stil, maar dan klinkt een stem die de slapenden bij ons recht overeind in hun kooien zet: “Verder op ligt een tanker die deed een paar dagen geleden: Boem!! En as je nou niet handig maakt dat je wegkomt dan gaat het bij jullie ook …” Er volgt een knetterende wind die aan duidelijkheid niets te wensen over laat.
Buiten raapt Erwin groene plakken op van het dek. “Ze gooien ons iets toe”, zegt hij enthousiast. “Dank u wel meneer!”, roept hij ook nog naar omhoog. “Kom, Erwin, we gaan”, zeg ik, als een van hen met grote behendigheid opnieuw een fluim op het dek laat neer komen. We gaan overstag en laten de tanker en de kustwacht achter ons.
Tegen de avond bereiken we Nederland. Na de Haringvlietsluizen hijsen we
voor de laatste maal de zeilen en varen over het kalme water naar Middelharnis. Weemoedig klinkt een Bulgaars liefdeslied over het water. Bij het sluisje van Middelharnis staat een oude man naar ons te luisteren. Als we hem passeren knikt hij begrijpend en zegt: “De zee, de zee, daar kan geen vrouw tegen op, als die één keer in je bloed zit…”
We knikken, ja, zo is het.
Arend van Hout
Geen reactie's